Schrijf.Maks

begin  biografie  manuscripten  korte verhalen 

columns  Vruchtbare Aarde  eigen beheer uitgave  inspiratie 

boek.blik  English stories  citaten  links  fotoboek galerie

Regelmatig plaats ik hier één van mijn korte verhalen

Gewonnen eerste prijs Historisch kippenvel Provincie Overijssel-2011:

kijk naar mijn toelichting op http://www.youtube.com/watch?v=dUPz-dg0K8M

Geur van groene appels

Op vrijdag loop ik ’s morgens altijd even over de boerenmarkt in Zwolle langs de fruitstal van Berend, maar vandaag is hij er niet.
'Hij heeft een bruiloft,' geeft de man met rode ijsmuts ten antwoord wanneer ik hem vraag waar Berend is. Handenwrijvend loopt hij in de marktkraam heen en weer. 'Ik ben zijn neef, soms val ik een daggie voor hem in.'  

Ik kijk naar zijn blozende gezicht, die man komt me bekend voor.
Hij herkent mij ook, want meteen zegt hij: 'Zeg, ben jij niet dat meissie van de buren?'
Ik knik aarzelend: 'Ronny?'
We schudden handen en ik pak een groene appel. Net als ik bij Berend altijd doe, wrijf ik hem glanzend langs mijn mouw en bijt erin. Door het gekraak in mijn oren hoor ik niet wat Ronny zegt. Ik proef, en de smaak roept van alles van vroeger naar boven.
'Een notarisappel?' roep ik uit.
'Dat zeg ik ja. Ik dacht vanmorgen, ik neem een paar kistjes mee, van bij ons achter.'

Bij ons achter? Meteen zie ik hun piepkleine boerderijtje voor me met de grote koeienstal erachter, en de boomgaard. Onze boomgaard, hun boomgaard gescheiden door een greppel. Twee huizen langs de weg aan een lang recht kanaal tussen de weilanden, eenzaam en ver buiten het lintdorp in de veenkolonie. Eens hoorden de huizen bij elkaar. Ons huis was een oude herenboerderij gebouwd op jute zakken, zoals mijn vader vroeger beweerde en het huisje waar Ronny woonde was de arbeiderswoning.

'Weet je nog?' vraagt  Ronny, terwijl hij de drammerige vrouw naast me begint te helpen, omdat ze van de druiven snoept en van iedere tros er een aftrekt.  
Ik weet het nog, en zie ons samen tussen de appelbomen in de boomgaard spelen, we hebben allebei een eigen klimboom, we vangen dikkopjes in de sloot. Ja, ik weet het nog, heel goed zelfs, maar ik heb er nooit meer aan gedacht.

Hij lijkt een beetje op zijn vader, met net zulke platte wangen en gesprongen adertjes op zijn jukbeenderen en met hetzelfde gedrongen postuur. Maar hij heeft de goedlachse natuur van zijn moeder en haar blauwe ogen. Gelukkig.

Ronny helpt alweer een andere klant omdat ik geen aanstalten maak om mijn keuze te doen. Dat ik hem vandaag moet tegenkomen. Ronny en zijn ouders zijn uit mijn geheugen gewist. Uitgegumd, gedeletet. Mijn ouders wonen er ook niet meer en ik ben in geen twintig jaar aan de vaart geweest. Geschrokken besef ik dat de jaren, die ik als een sluier over het verleden heb gedrapeerd bruut wegvallen. Het is Ronny's vader die me aankijkt met die ijzige blik, die ogen met de kleur van een bewolkte lucht.
 
Langzaam kauwend op de appel met die smaak van mijn jeugd stap ik terug in mijn ouderlijk huis. Het appelkamertje, links naast de voordeur. Behalve appels drogen, werden daar de konijnen gevild en de kippen geplukt. Mijn vader en broers knutselden aan de werkbank met de houten bankschroef; het gereedschap: de schroevendraaiers, beitels, hamer en zaag hingen in hun voorgetekende vormpjes aan de muur.

Ronnie hielp vaak mee bij ons thuis. Ik zie ons nog staan, op een rijtje naast elkaar. Mijn moeder boorde het klokhuis uit de appel, ik schilde een ononderbroken slang, dat was natuurlijk de kunst. Mijn broer sneed plakken en Ronny reeg die op stokken. Vervolgens hingen we de stokken met touwtjes aan haken aan het plafond, waar ze zacht deinden in de droge lucht. De appelringen verdroogden maar behielden hun smaak, en na een paar weken deden ze me denken aan de verschrompelde huid van een gebalsemd lijk.

In de korenblauwe deur van het appelkamertje zat een ruitje van bobbeltjesglas dat uitzag op de gang, en aan de overkant de deur naar de kelder. Mijn moeder had op de kelderdeur ooit een levensgrote haan geschilderd met priemende ogen, groene en blauwe veren, oranje poten en een vuurrode kam die trilde op zijn kop. Mijn adem stokte toen ik aan de steile houten trap vlak achter die deur dacht.

Ronny kijkt een paar keer zorgelijk in mijn richting, hij kan toch niet weten wat ik denk? Ik staar naar de neuzen van mijn schoenen op de grauwe keitjes van het marktplein, uitgesleten beton. Met mijn voet veeg ik langs de donkere plekken op straat. De vloer in het appelkamertje was van cement en rood gesausd. Ossenbloed. Die kleur. Ik slik en houd mijn adem in. Het was nog lastig geweest die dikke plakkerige koek weg te boenen.

'Ik heb de koeien nog, achttien stuks. 't Is veel werk.' Ronny's stem klinkt als in een droom. Ik zie mezelf weer staan tussen de koeien in hun stal. Tegenover buurman. Tussen ons hing de voelbare dreiging van een toekomst die we allebei niet wilden. Ronny zat een eindje verderop tussen twee dampende koeienlijven te melken en had niks in de gaten. Buurman zette een stap en ik zette er een achteruit en stond met mijn rug tegen de muur. Hij greep onder mijn rok, ik verstijfde van die ijzige hand, die grijpvingers die achter het elastiek van mijn broekje haakten.

In het appelkamertje zat nog een deur, die ging naar de deel. De deel met zijn hoge rieten kap, de zware balken die het dak droegen als een hemellichaam. Een holle ruimte, waar ik hinkelde tussen de hooiwagen en de fietsen. Hier stond de bokkenkar en vaders auto onder een plastik hoes. Ik grijp me vast aan de fruitstal en sluit mijn ogen. Ik voel weer de kou, de kille winters die waren blijven hangen onder het dak tussen het spinrag dat zacht woei in de tocht. Door de grote deeldeuren kwam je in de tuin, rechts was het kippenhok naast de aspergebedden van vader. De Dahlia's in de vierkante vakken omzoomd door buxushaagjes die naar kattenpies roken. En daarachter was de muur.

Die muur. Ik herinner me niet dat hij gebouwd werd, sinds mijn vroege jeugd stond die er gewoon, tussen ons en de buren. Door mijn vader eigenhandig gemetseld. Ruim twee meter hoog. Vader wilde buurman niet zien, dat we hem hoorden, zijn klompen knerpend in het grind, was erg genoeg. Vader was geen haatdragend mens, integendeel, maar buurman moest hij niet.
'Landverrader, NSB'er', had ik hem eens tandenknarsend horen zeggen. De Duitsers had vader wel vergeven, maar de NSB'ers? Die nooit.
Toch speelde ik met Ronny. Dat mocht. Er was ook niemand anders en een kind kon niet beticht worden voor het kwaad dat zijn vader had aangericht.  

'Woon je in Zwolle? Getrouwd?' vraagt Ronny. Ik knijp in de avocado's en zie hem heel even aan. 'Geef me maar een kilo van je notarisappels.'
Hij pakt een zak, maar wacht nog op mijn antwoord. Nee, Ron ik ben niet getrouwd, nooit ben ik getrouwd.
'Ik woon alleen,' zeg ik ferm. 'Jij?'
'Ik ook.'
'O ja?' Hij ook. Dat had ik niet verwacht.
''t Kwam er niet van. Na pa's dood bleef ik bij mijn moeder wonen, ze kwam er maar moeilijk overheen. Verzopen in de vaart, zeiden ze, maar dat zijn lichaam nooit gevonden is, hè.'
Ik pak de zak appels en doe ze in mijn tas, ik vraag zacht: 'Ronny wat krijg je van me?'
'Niks toch zeker, kom hier, geef me een pakkerd en kom nog eens bij me langs aan de vaart.'
Ik deins achteruit, maar hij legt zijn grote hand op mijn schouder. De stoppels van zijn baard blijven naprikken in mijn wang als ik wegloop.

Het was een zaterdagmiddag geweest, mijn ouders en broers waren een half uur eerder weggereden en ik plukte een kip voor de volgende dag, want zondag: kipdag. Mijn vriendje zou me 's avonds met de brommer komen ophalen en we zouden gaan dansen in het dorp. In het appelkamertje zat ik op de grond met mijn rug tegen de werkbank, terwijl de veren om me heen dwarrelden. Met het kleine bijltje sloeg ik de poten en de kop eraf en bleef verstijfd zitten toen ik iemand hoorde lopen op het grind. Klompen. Die stap herkende ik uit duizenden en nog geen minuut later keek ik in het smoelwerk met de couperose wangen en de bleke ogen van buurman. Hij greep me onder mijn arm en trok me omhoog. De stoppels van zijn baard prikten in mijn gezicht, zijn natte tong ging als een leren lap over mijn gezicht, maar ik had het bijltje nog in mijn hand en liet dat neerkomen in zijn nek. Hij bleef liggen in zijn eigen bloed. Zijn logge lijf heb ik over de drempel naar de overkant van de gang gesleept. De trotse haan keek hoofdschuddend toe, toen ik de deur opende en het lichaam van de steile keldertrap afgooide. Ik haalde een schop en ben gaan graven, na eerst de los liggende tegels aan de kant te schuiven. Ik groef in het slappe veen tot het water naar boven sijpelde, zonder op te zien of te rusten.

Mijn vriendje kwam me uren later halen. Ik was net klaar, had gedoucht en me opgemaakt, de rouwranden onder mijn nagels waren weggeboend. Ik liet hem de  geplukte kip zien en vroeg of hij morgenavond bij ons wilde komen eten.

Dat buurman spoorloos bleek te zijn was voor mijn vader een opluchting, al liet hij dat natuurlijk niet merken. Dat ik als laatste buurman die middag aan de vaart had gezien en dat hij waarschijnlijk verdronken moest zijn, werd geloofd. Er was zelfs nog naar hem gedregd.

Pas toen die weeïge lucht in de gang na maanden eindelijk verdwenen was, kon ik weer opgelucht ademhalen en buurman vergeten.  

Juryrapport: Dit verhaal heeft een absoluut Overijsselse context. Er is veel aandacht voor details; het proces van het appels drogen bijvoorbeeld is mooi beschreven. Het is een goed geschreven, geloofwaardig en ook gruwelijk verhaal. Met een onverwachte wending aan het slot is dit verhaal een juweeltje.

© Marjet Maks

E-mail address is protected. Please activate JavaScript in your browser

unique visitor counter