Schrijf.Maks

begin  biografie  manuscripten  korte verhalen 

columns  Vruchtbare Aarde  eigen beheer uitgave  inspiratie 

boek.blik  English stories  citaten  links  fotoboek galerie

Onbetaalbaar

Luid toeterend rijdt de visboer ons dorp binnen. De terriërs van de buren keffen de longen uit hun Yorkshire lijfjes en de vrouwen verlaten gehaast hun huizen.
'Pescao, pescao,' roepen we tegen elkaar. Ja, vandaag eten we vis.
Wanneer ik op het plein bij de kerk aankom, dromt er al een groepje vrouwen aan de achterkant van de bestelauto. Ik gluur tussen de hoofden door om de vangst van afgelopen nacht te zien. Duizend dode oogjes staren me aan.  
'Que hay,' roept Maria van verre naar Juan-Jo. 'Wat heb je.'
'Sardines, boquerones, calamares, mejillones, dorada, noem maar op. 'Hay de todo. Vanalles.' Dagelijks scheurt de visauto langs de dorpen in de vallei en drie keer in de week doet hij ons dorp aan. Juan-Jo is een vlotte jongen van 28 jaar en ambitieus. Hij heeft een cursus assurantiën gevolgd en nu verkoopt hij 's morgens vis en 's middags verzekeringen. En daar heeft hij verstand van, want ook ons heeft hij in zijn verzekeringsnet gevangen.

Je zou vermoeden dat er in zo'n afgelegen bergdorp, met slechts een bar en een dorpswinkel weinig te koop is. Niets is minder waar. Zeven dagen in de week is het een va y vien van commerçanten en mocht dat woord volgens meneer van Dale een negatieve bijklank hebben, bij ons zijn de handelaren vooral bonafide. De eurocent wordt hier nog gebruikt om het bedrag naar beneden te kunnen afronden, om maar wat te noemen.
 
Ook met de groenteboer heb ik een uitstekend contact. Dinsdagochtend zet Manolo zijn stal op; de ene week beneden in het dorp, de andere week staat hij boven naast de kerk. Een welkom initiatief, want wij wonen boven in het dorp aan de Kerkstraat. Als hij beneden staat, koop ik bij voorkeur geen kilo's aardappels, uien en kolen, maar aardbeien, champignons en een paar lichtgewicht paprika's. Want bergopwaarts sjouwen in een temperatuur van dertig graden met drie zware tassen aan mijn armen probeer ik te vermijden.
Afgelopen winter hebben we onze metershoge laurierboom (Laurus nobilis) eens goed gesnoeid. Dit is een soepblaadjesboom, die niets te maken heeft met de in Nederland bekende laurierkers, de Prunus laurocerasus. Binnen de kortste keren lag er een berg takken met de geurende laurierblaadjes klaar om te worden verbrand. Zonde dat wist ik wel, maar wie kon ik blij maken met zoveel laurier. Zelf gebruik ik er per jaar hoogstens dertig blaadjes in soep of saus en zo vermoedde ik, doen mijn buurvrouwen dat ook.
Langs mijn neus weg vroeg ik aan Manolo, de groenteboer, of hij een paar takken wilde hebben.
Hij knikte zonder aarzeling, kwam meteen mee om te kijken en zijn verbazing veranderde in gretigheid, toen hij niets anders in mijn tuin zag dan de werkelijk geweldig grote hoop laurierbladeren. Hij nam alles mee. Hij vroeg nog wat ik er voor wilde hebben.
'Niks, toch,' mompelde ik met een vriendelijk gebaar en een gulle lach, blij dat hij de hoop brandhout meenam. Maar terwijl ik dat zei en hij zijn happigheid niet verborg, wist ik dat ik een fout beging. De eerstvolgende keer dat we in een grote supermarkt aan de kust waren viel mijn oog op de koelhoek met kruiden. In een plastic zakje werden twee armetierige takjes met laurierblad aangeboden. Snel telde ik het aantal blaadjes: tien stuks voor 90 eurocenten. Negen cent per miezerig blad en ik had een week geleden miljoenen blaadjes weggegeven. Het fortuin dat aan mijn neus voorbij was gegaan, betekende een moment van bezinning. Moest ik hierop terugkomen? Natuurlijk deed ik dat niet. De volgende keer dat ik bij Manolo groente en fruit insloeg hoefde ik niet te betalen. We wisselden geen woord maar begrepen elkaar. Niemand van de vrouwen om me heen merkte dat ik mijn portemonnee ongeopend in mijn zak terugstak. Manolo's gebaar waardeerde ik. Hij heeft zijn rekening vereffend en miljonair zal ik nooit worden.

Dit jaar rijden er dagelijks meer commerçanten dan vorige jaren het dorp binnen, dat heeft met de crisis te maken, denken we. Het zijn vooral zigeuners die bij de kassen aan de kust goedkoop inkopen. De zigeunervrouwen met hun schrille, schreeuwende stemmen prijzen hun waar aan. Twee kilo tomaten voor een euro, drie komkommers voor vijftig cent, en de prijs van paprika's hoor ik niet meer, maar ook die zal ver onder de maat liggen. Het is mij een raadsel hoe ze de benzine van de auto bekostigen met zulke bedragen voor hun koopwaar.  

De bakker brengt dagelijks zijn brood en de wijnboer rijdt iedere week met een auto vol wijn het dorp binnen. Handdoeken, schoenen en beddengoed, het aanbod is ruim. De bloemenman doet goede zaken, want de vrouwen in ons dorp zijn gek op fleurige voorgeveltuintjes en balkons.

Zojuist klopte Gabriëlla aan de voordeur met een zakje verse eitjes. Ze had er genoeg, ik hoefde er niet voor te betalen. In ruil gaf ik haar een pot zelfgemaakte jam. Gabriëlla en Juan hebben twee zoons en de derde is op komst. Ze hebben het niet breed, er is hier geen werk voor jonge mensen, toch delen ze gemakkelijk in wat ze te geven hebben.
Rafael, de buurman, roept vanuit zijn tuin eneden de onze: 'Mayetta, Mayetta, kom hier! Tuinbonen moet je plukken. En hier neem wat sla, anders schieten de kroppen maar door.' Rafa herhaalt alles wel tien keer, dus ik laat me zijn aanbod geen twee keer zeggen. Ik neem nog nog wat plantjes basilicum voor hem mee, die hij weer dankbaar tussen zijn tomaten zet.
Zo delen en ruilen we hier in ons bergdorp het leven en eigenlijk is dat onbetaalbaar.   

zomer 2011

© Marjet Maks

unique visitor counter